De Staat met verschillende petten op, blijft één schuldeiser…

In het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2018 werd de vraag beantwoord of de Staat met twee verschillende vorderingen (met succes) het faillissement van een schuldenaar kan aanvragen. Dat blijkt niet het geval. Wat speelde er?

De Staat verzoekt tot driemaal toe om een schuldenaar in staat van faillissement te verklaren. Uiteraard wordt daarbij gesteld, dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Onderdeel van die stelling is dat de schuldenaar  zowel een vordering van de Staat uit hoofde van een bestuurlijke boete wegens het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen, als een vordering van de belastingdienst onbetaald laat. Hiermee zou voldaan zijn aan het vereiste van pluraliteit.

De Staat is in dit geval nogal vasthoudend en wil de schuldenaar wel erg graag failliet hebben, nu de Rechtbank en het Gerechtshof het verzoek afwijzen. Het Hof legt vervolgens vrij helder en duidelijk uit:

“De ontvanger heeft geen rechtspersoonlijkheid maar is een functionaris van de Staat die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen (art. 2 lid 1, aanhef en onder i, Invorderingswet 1990). De faillissementscurator behoeft het vermogen van de schuldenaar niet te verdelen tussen de verschillende onderdelen van de Staat. Een schuld aan de ontvanger is in wezen een schuld aan de Staat en daarom is in het onderhavige geval sprake van twee vorderingsrechten van een en dezelfde crediteur, de Staat.”

Geen speld tussen te krijgen, zou je denken. Toch volgt er nog cassatie. De Staat blijft volhouden dat er sprake is van pluraliteit. Wat volgt is een korte uiteenzetting door de Hoge Raad van de geldende regels en het herhalen van de beslissing van het Hof.

Ook de Hoge Raad stelt dat dat vorderingen van organen en onderdelen van de Staat die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, zoals de ontvanger en de belastingdienst, voor de toepassing van de Faillissementswet hebben te gelden als vorderingen van één en dezelfde schuldeiser, de Staat. Onjuist is dan ook dat vorderingen van de ontvanger of de belastingdienst als steunvordering kunnen dienen bij een faillissementsaanvraag van de Staat, die betrekking heeft op het onvoldaan blijven van een vordering van een van zijn andere organen of onderdelen. Beide vorderingen komen immers in vermogensrechtelijke zin aan de Staat toe. Daarmee wordt het faillissement niet uitgesproken. Gezien de aanhoudende procedures verwacht ik niet dat de schuldenaar voorlopig van de Staat verlost zal zijn (ondanks dit resultaat)!

Contact:     
Heeft U vragen of wenst U van gedachten te wisselen omtrent het bovenstaande, dan sta ik U graag te woord: 06-52352549 of g.volders@vissers-advocatuur.nl.

De heer Mr Gijs Volders
Advocaat