Faillissement na “onhandige” procesvoering

De uitspraak (en de bijbehorende conclusie) van de Hoge Raad van 19 oktober jl. laten nog maar eens zien, dat men een aanvraag tot faillietverklaring zeer serieus moet nemen en (direct) bewijs moet aandragen.

In dit geval stond vast dat de aanvrager een aanzienlijke vordering had op de onderneming (hierna: de “schuldenaar”). Daarmee is voldaan aan de eerste voorwaarde voor faillietverklaring, namelijk het bestaan van een vorderingsrecht. De schuldenaar betwistte echter, gedurende de drie procedures (eerste aanleg, hoger beroep en cassatie), dat zij meerdere schuldeisers had. De zogenaamde en noodzakelijke pluraliteit. Men dacht zich er echter makkelijk vanaf te maken door een tweetal betrokkenen (waaronder een accountant) een verklaring te laten opmaken, waarin stond opgetekend dat alle schuldeisers (inmiddels) waren voldaan (met uitzondering van de aanvrager). Er werden geen betalingsbewijzen overgelegd en ook geen verklaringen van de andere schuldeisers, waaruit zou blijken of deze inderdaad waren betaald.

Tot aan de Hoge Raad blijft de schuldenaar, met ondersteuning van deze stukken, volhouden dat er geen andere schuldeisers bestaan, er om die reden geen sprake is van pluraliteit en het faillissement niet uitgesproken kon worden. Uiteindelijk wordt de kwestie door de Hoge Raad zelf afgedaan zonder motivering. De conclusie maakt echter (wellicht) voor de onderneming pijnlijk duidelijk dat zij te makkelijk over de kwestie heeft gedacht (tenminste als de overige schuldeisers ook daadwerkelijk waren betaald). De Hoge Raad stelt als eerste vast dat er in het verleden andere schuldeisers zijn geweest tot een bedrag van meer dan € 176.000,-. Vervolgens herhaalt de Hoge Raad de regels die gelden voor het aannemen van pluraliteit:

“Pluraliteit van schuldeisers is volgens vaste rechtspraak een voor het uitspreken van een faillietverklaring noodzakelijke – zij het niet voldoende – voorwaarde. De vereiste pluraliteit behoeft slechts summierlijk te blijken. De schuldeiser hoeft het bestaan ervan dan ook niet te bewijzen volgens de regels van het bewijsrecht in burgerlijke zaken. Aan de andere kant zal de schuldenaar, blijkens de wetsgeschiedenis, als hij gegronde verdedigingsmiddelen heeft, ook “daarvan althans summierlijk moeten doen blijken”.”

Alhoewel de schuldenaar de pluraliteit heeft betwist door te verwijzen naar diverse verklaringen, heeft zij geen beroep gedaan op haar administratie. Het is gebleven bij de overgelegde verklaringen. Deze verklaringen worden door de Hoge Raad echter onvoldoende gevonden, nu eenvoudig betalingsbewijzen kunnen worden overgelegd.

Tot overmaat van ramp passeert de Hoge Raad het bewijsaanbod wat nog was gedaan. Uitgangspunt is namelijk dat de faillissementsrechter bij de beoordeling of summierlijk is gebleken van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, grote vrijheid heeft en daarbij niet is gebonden aan bewijsregels in burgerlijke zaken. Dit brengt mee dat de rechter dan ook niet op gelijke wijze als in burgerlijke zaken is gehouden (de verzoeker en) de schuldenaar gelegenheid tot bewijslevering te bieden. Bovendien dient een procespartij stukken te overleggen waarop een beroep wordt gedaan. Of, zoals weergegeven in de conclusie:

“Aan het bestreden oordeel van het hof om het bewijsaanbod als tardief te passeren, liggen de – onbestreden – overwegingen ten grondslag dat [schuldenaar] haar stelling dat de 38 (handels)crediteuren er niet meer zijn summierlijk aannemelijk had kunnen maken door in een eerder stadium van de procedure bewijs van die stelling bij te brengen door verklaringen van crediteuren of betalingsbewijzen in het geding te brengen. Het hof heeft het [schuldenaar] aangerekend dat zij er bewust voor heeft gekozen dat niet te doen, en heeft haar om die reden niet in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd.

Daarmee is het faillissement een feit. Pijnlijk natuurlijk, als alle overige schuldeisers daadwerkelijk waren betaald. Hieruit volgt maar weer dat men een faillissementsaanvraag niet te luchtig mag opvatten. 

Contact:      
Heeft U vragen of wenst U van gedachten te wisselen omtrent het bovenstaande, dan sta ik U graag te woord: 06-52352549 of g.volders@vissers-advocatuur.nl.

 

De heer Mr Gijs Volders
Advocaat