Koerswijziging slapende dienstverbanden (?)

Op 27 december 2018 oordeelde het Scheidsgerecht Gezondheidszorg dat het in stand houden van een zogenaamd slapend dienstverband in strijd is met het goed werkgeverschap van art. 7:611 BW. Hiermee leek een nieuwe koers ingezet te worden met betrekking tot het aanhouden van ‘lege’ dienstverbanden. Deze koerswijziging lijkt te worden voortgezet. Recent besloot de voorzieningenrechter van de rechtbank in Den Haag dat het aanhouden van dergelijke dienstverbanden als strijdig met goed werkgeverschap dient te worden beschouwd. In onderstaand blog zal ik nader ingaan op deze ontwikkeling in de rechtspraktijk.

Sinds de invoering van art. 7:673 BW op  1 juli 2015 – waarin de verschuldigdheid van de werkgever van een transitievergoeding geregeld is – komt het geregeld voor dat werkgevers een arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid niet beëindigen om te voorkomen dat zij een transitievergoeding verschuldigd zijn, ook in gevallen waarin sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. In zo’n situatie is sprake van een slapende arbeidsovereenkomst, waarbij de werknemer geen arbeid verricht en de werkgever geen loonbetalingsverplichting heeft.

In de jurisprudentie van de afgelopen jaren en onlangs nog door de kantonrechter in Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2019:855) bepaald, werd het aanhouden van een slapend dienstverband – enkel om daarmee de betaling van de transitievergoeding te ontlopen – niet als (ernstig) verwijtbaar handelen van de werkgever beschouwd. Dit had als gevolg dat werkgevers het dienstverband met een (duurzame) arbeidsongeschikte werknemer konden aanhouden en daarmee de betalingsverplichting van de transitievergoeding konden opschorten/ontlopen. Aan deze gang van zaken lijkt echter een eind te komen door de intrede van de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (hierna: “de Wet compensatie transitievergoedingen”).

De Wet compensatie transitievergoedingen wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in die zin, dat art. 673e wordt toegevoegd. In dit nieuwe artikel 7:673e BW wordt geregeld dat een werkgever die een transitievergoeding heeft betaald wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid, daarvoor wordt gecompenseerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: “UWV”). De wet treedt in werking op 1 april 2020 en is ook van toepassing op arbeidsovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van de wet, maar ná 1 juli 2015 zijn beëindigd.

Met het oog op de invoering van deze wet, oordeelt de voorzieningenrechter in Den Haag nu dat het aanhouden van slapende arbeidsovereenkomsten in strijd met goed werkgeverschap dient te worden beschouwd. De voorzieningenrechter in Den Haag oordeelde: “(…) dat in het licht van de Wet compensatie transitievergoedingen en de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever – anders dan in voormelde jurisprudentie, die dateert voor de totstandkoming van de Wet compensatie transitievergoedingen – thans niet langer vol te houden is dat het in stand laten van een slapende arbeidsovereenkomst geen strijd met goed werkgeverschap kan opleveren” (ECLI:NL:RBDHA:2019:3109).

Daarmee lijkt een einde te komen aan het tijdperk van slapende dienstverbanden. Doordat werkgevers in de toekomst gecompenseerd worden voor transitievergoedingen voor langdurig arbeidsongeschikten, hebben zij immers geen reden meer om dergelijke dienstverbanden aan te houden, zoals ook de voorzieningenrechter oordeelde.

Indien U vragen heeft over het bovenstaande, kunt U contact opnemen met ondergetekende.


Mr Gijs Volders
Advocaat