Koerswijziging slapende dienstverbanden (?) II

Het wezen van “slapende dienstverbanden” blijft de gemoederen (en literatuur en rechtspraak) bezig houden. Kennelijk wordt het lastig gevonden hoe er op dit moment moet worden omgegaan met de Wet Compensatieregeling Transitievergoeding (WCT) en de aangekondigde inwerkingtreding daarvan per 1 april 2020 (met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015). Eerder zijn hier al een aantal uitspraken over gedaan, welke ik besprak in mijn vorige blog. De kantonrechter te Arnhem heeft hierover op 29 juli jl. een nieuwe uitspraak gedaan.1

Overigens heeft de kantonrechter te Roermond over dit onderwerp prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad (Rb Limburg 10 april 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:3331). De kantonrechter in deze kwestie kon het antwoord daarop niet afwachten, gelet op de nadere pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer in kwestie.  

De feiten

Sinds 5 augustus 2015 is de werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Om die reden is aan haar in augustus 2017 een IVA-uitkering toegekend door het UWV. De werkneemster heeft meerdere malen aan haar werkgever, Menzis, verzocht om de arbeidsovereenkomst op te zeggen met uitbetaling van de transitievergoeding. Menzis heeft echter te kennen gegeven hiertoe niet bereid te zijn. De arbeidsovereenkomst zal – indien deze niet eerder wordt beëindigd – van rechtswege eindigen zodra werkneemster de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dat zal zijn op 18 november 2019. Door een beëindiging wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou werkneemster geen aanspraak meer hebben op de transitievergoeding. De werkneemster start een kort geding procedure waarin zij vordert Menzis te bevelen de arbeidsovereenkomst op te zeggen door middel van het indienen van een verzoek daartoe bij het UWV en onder toezegging van de transitievergoeding.

De beoordeling

Vooropgesteld oordeelt de kantonrechter dat uit vaste rechtspraak volgt dat het slapend houden van een arbeidsovereenkomst geen ernstig verwijtbaar of nalaten van de werkgever oplevert. Dit is echter rechtspraak die dateert van voor de totstandkoming van de WCT.

Door de inwerkingtreding van de WCT wordt boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in die zin gewijzigd dat artikel 673e wordt toegevoegd. In dit nieuwe artikel 7:673e BW wordt geregeld dat een werkgever die een transitievergoeding heeft betaald wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid, daarvoor wordt gecompenseerd door het UWV. De wet treedt in werking op 1 april 2020 en is ook van toepassing op arbeidsovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van de wet, maar ná 1 juli 2015 zijn beëindigd. Met deze compensatieregeling beoogt de wetgever een einde te maken aan het tijdperk van slapende dienstverbanden. Hoewel uit de WCT en de daarbij behorende toelichting niet blijkt dat werkgevers verplicht zijn een slapend dienstverband op te zeggen, kan dit wel strijd opleveren met het goed werkgeverschap van art. 7:611 BW.

Mede gelet op de bedoeling van de wetgever met de inwerkingtreding van de WCT – en de bijzondere omstandigheden van de werkneemster – acht de kantonrechter het in stand laten van slapende dienstverbanden in strijd met goed werkgeverschap van art. 7:611 BW. Daarmee lijkt de koers te worden voortgezet dat slapende dienstverbanden voortaan tot het verleden behoren.

Indien U vragen heeft over het bovenstaande, kunt U contact opnemen met ondergetekende.

Mr Gijs Volders
Advocaat

                                           
1.  ECLI:NL:RBGEL:2019:3440.