Executiegeschil uitleg arrest: wettelijke rente of wettelijke handelsrente?

De voorzieningenrechter in Oost-Brabant (locatie ’s-Hertogenbosch) heeft zich in een executiegeschil uitgelaten over de vraag of het Gerechtshof de wettelijke rente of de wettelijke handelsrente had toegewezen (zie ECLI:NL:RBOBR:2017:1567). Geoordeeld werd dat de wettelijke handelsrente was toegewezen. Hoe kwam deze rechter tot deze beslissing?

De eisende partij heeft in het petitum gevorderd: “Dat het Uw Rechtbank Oost-Brabant moge behagen bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

gedaagde te veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van € 61.802,65 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 31e dag na de respectievelijke factuurdata althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 31e dag na de respectievelijke factuurdata, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening (…)

Niettemin had de eisende partij in het lichaam van de dagvaarding gesteld:

(…)  maakt vanaf de 31e dag na de respectievelijke factuurdata aanspraak op de wettelijke handelsrente (ex artikel 6:119a BW), althans vanaf de datum van de eerste sommatiebrief, althans meer subsidiair aanspraak op de wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) vanaf 31 dagen na de respectievelijke factuurdata telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat met de bewoording in het petitum “wettelijke rente” de eisende partij de wettelijke handelsrente (ex. Artikel 6:119a BW) heeft bedoeld, nu de vordering op die wijze in het lijf van de dagvaarding is onderbouwd met primair de wettelijke handelsrente en eisende partij de aard van de overeenkomst heeft gesteld (een handelstransactie).

Zowel de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW (niet handelstransactie) als de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW (handelstransactie), zijn beiden opgenomen in het wetboek onder de verzamelnaam “wettelijke rente”. Daarin zou eveneens onderbouwing van het oordeel gelegen kunnen zijn. Echter, vele beroepsbeoefenaren benoemen specifiek wettelijke handelsrente in het petitum. Niettemin kan zo mogelijk in geval van uitlegdiscussie, deze uitspraak gelden als precedent, indien slechts wettelijke rente in het petitum is opgenomen, maar wel ‘ergens’ in het lijf van de dagvaarding verwezen is naar de handelstransactie. Hoewel zulks een aanvaardbaar oordeel is, is evenwel een vraag die niet expliciet is beantwoord c.q. aan bod is gekomen: Wordt er in wezen niet meer toegekend dan gevorderd, nu slechts wettelijke rente is gevorderd en niet de wettelijke handelsrente? Immers, de wettelijke handelsrente is altijd hoger dan de wettelijke rente. De conclusie die ik daaraan verbind, is dus dat de term ‘wettelijke rente’ zoals in een petitum is opgenomen, ziet op de ‘verzamelnaam’ in het wetboek wettelijke rente en niet op enkel de wettelijke rente genoemd in artikel 6:119a BW. Alsdan is er sprake van een ruime uitleg/interpretatie. Enkel indien een dergelijke ruime wetstechnische uitleg wordt gegeven, is het oordeel aanvaardbaar, dit is evenwel niet opgenomen in de motivering.

Indien uw een nadere toelichting wenst of vragen heeft met betrekking tot welke rente U kunt berekenen of welke rente is gevorderd of toegewezen, kunt U met mij contact opnemen.


Mevrouw Mr Nathalie van Beurden
Advocaat