Griffierecht - hardheidsclausule 127a lid 3 Rv.

Op 3 maart 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv. Het Hof heeft in haar beoordeling meegenomen (zie r.o. 2.6): de bijzondere omstandigheden bij de bank, te weten de langdurige computerstoring op 23 december 2014, waardoor internetbankieren het grootste deel van die dag niet mogelijk was. Deze storing was aanleiding voor het gegeven dat het griffierecht niet op 23 december 2015 is overgemaakt aan het LDCR. Daarmee oordeelde het Hof dat het door buiten de macht van de (advocaat) van appellant gelegen uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden te laat is betaald. Dat door de storing niet vastgesteld kon worden dat er op 23 december 2014 daadwerkelijk (een) spoedopdracht(en) is gegeven, is een omstandigheid die niet voor rekening van de appellant dient te komen, aldus het Hof.

De Hoge Raad heeft echter in zijn arrest van 10 augustus 2012 (NJ 2012/487) geoordeeld dat geen toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule in het geval waar de termijn voor betaling is overschreden doordat een betalingsopdracht door de (eigen) bank niet is uitgevoerd. Daarbij wordt vooropgesteld, dat gekeken dient te worden in wiens risicosfeer de te late betaling ligt.

Het is de vraag of het Gerechtshof niet in strijd met de rechtspraak van de Hoge Raad heeft geoordeeld door een bankstoring niet gelijk te stellen met een betalingsopdracht die niet door de bank is uitgevoerd. Het arrest van het Gerechtshof biedt evenwel een opening. Daarbij wordt tegelijkertijd de kanttekening gemaakt dat de casus in het arrest van het Gerechtshof een uitzonderlijke situatie is, die zich niet veelvuldig zal voordoen.

Indien U over het voorgaande nog vragen heeft, kunt U uiteraard contact met ons opnemen.

Mevrouw Mr Nathalie van Beurden
Advocaat