Opheffing conservatoir beslag

Op 17 april 2015 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:1074) zich wederom uitgelaten over het toetsingskader in geval van opheffing van conservatoir beslag.

Partij A heeft een verzoekschrift ingediend tot het leggen van conservatoir beslag. In het beslagrekest is aangevoerd dat ‘B’ (de bestuurder) persoonlijk verwijtbaar heeft gehandeld. Deze verwijten betroffen de slechte onderhoudstoestand van het schip en onvoldoende hulpverlening nadat het schip was gestrand. Het verzoek is toegewezen en er is conservatoir beslag gelegd.

In de bodemprocedure heeft de rechtbank in eerste aanleg de vorderingen van partij A afgewezen. Tegen dit vonnis heeft partij A hoger beroep ingesteld. Echter, voordat op dit hoger beroep in de bodemprocedure is beslist, heeft partij B opheffing van de gelegde beslagen gevorderd. Partij A heeft één dag voor de mondelinge behandeling een nieuwe grondslag toegevoegd, namelijk dat de handelwijze van partij B paulianeus was. De Voorzieningenrechter heeft deze aanvulling geaccepteerd en heeft deze vordering afgewezen. Vervolgens gaat partij B in hoger beroep en het Gerechtshof bekrachtigt het vonnis. Vervolgens wordt in cassatie gegaan en oordeelt de Hoge Raad dat:

Voor zover bij de beoordeling of een beslag moet worden opgeheven, de aannemelijkheid van de gestelde vordering ter zake waarvan het beslag is gelegd, wordt meegewogen, is de rechter niet gebonden aan de grondslagen voor die vordering welke in het beslagrekest zijn vermeld. Het staat hem in beginsel vrij zijn beslissing om het beslag niet op te heffen, (mede) te baseren op feiten en omstandigheden die niet in het beslagrekest waren vermeld, maar in het opheffingsgeding nader door de beslaglegger ten grondslag zijn gelegd aan de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat in geval van opheffing, het op de weg van degene die opheffing vordert ligt om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is. Daarbij wordt overwogen dat het enkele feit dat opheffing door de beslaglegger is geschied, daarmee niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de vordering is afgewezen voor zover een rechtsmiddel is ingesteld tegen het afwijzende vonnis c.q. arrest. In dat geval dienen de wederzijdse belangen te worden afgewogen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het conservatoire beslag juist dient om een verhaalsmogelijkheid te waarborgen.

Onderhavig arrest geeft maar weer eens aan dat de conservatoire beslaglegger ruime bevoegdheden en mogelijkheden heeft en dat (procedurele) timing erg van belang is. Anderzijds heeft de beslagene die het conservatoire beslag wenst op te heffen, een aanzienlijke plicht om aan te tonen dat de vordering (waarvoor beslag is gelegd) ondeugdelijk is, waartoe een enkele opheffing en of afwijzend vonnis in de bodemprocedure onvoldoende is.

Mocht U meer informatie willen over dit onderwerp, dan kunt U contact opnemen met mevrouw Mr N. (Nathalie) van Beurden.