Overeenkomsten met een voorwaarde.

Partijen onderhandelen vaak langdurig over de inhoud van overeenkomsten. Deze periode van onderhandelen wordt als de "precontractuele fase" aangeduid en de Hoge Raad heeft weer meer dan 30 jaar geleden uitgemaakt dat partijen zich gedurende deze fase dienen te gedragen naar eisen van redelijkheid en billijkheid. Doet men dit niet of breekt men de onderhandelingen zonder goede reden af, dan kan men schadeplichtig zijn. Feitelijk gaat het om het vertrouwen dat de ene partij bij de andere partij gewekt heeft, dat er een overeenkomst tot stand komt, doch dit vertrouwen schaadt door het afbreken van de onderhandelingen.

Het doel van het opnemen van een voorwaarde in een overeenkomst is enerzijds het voorkomen van voormeld totstandkomingsvertrouwen en anderzijds het bereiken van overeenstemming, zodat de overeenkomst kan worden getoond aan derden en de voorwaarden kunnen worden vervuld. Er bestaan opschortende voorwaarden, die een overeenkomst laten ontstaan door vervulling van deze voorwaarden, alsmede ontbindende voorwaarden, die een overeenkomst van rechtswege zonder nadere rechtshandeling ontbinden. Veelal wordt gekozen voor een opschortende voorwaarde, oftewel: er is een ondertekend contract doch dit contract krijgt pas werking na vervulling van deze voorwaarde.

Het voormelde kan evenwel tot problemen leiden met overeenkomsten tussen marktpartijen, die de vervulling van de opschortende voorwaarde afhankelijk stellen van de goedkeuring, instemming en/of besluitvorming van een overheidsorgaan. Indien men belang heeft bij de vervulling van de voorwaarde, zal men aandacht moeten besteden aan de inhoud, want het is geen spel zonder nieten. Het is een machtig middel tussen partijen, doch indien het bestuursorgaan geen besluit neemt en zijn wettelijke beslistermijn overschrijdt, terwijl de belanghebbende partij het bestuursorgaan niet dwingt tot een beslissing, dan kan het als onrechtvaardig worden aangemerkt dat deze partij een beroep doet op de niet vervulling van deze opschortende voorwaarde en stelt dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Ook dient men erop toe te zien dat men de opschortende voorwaarde wel bindt aan een bestuursorgaan dat wettelijk bevoegd is. Tekent men namelijk het college van B&W als orgaan op, terwijl dit de gemeenteraad moet zijn (bijvoorbeeld bij bestemmingen) dan wordt de voorwaarde niet eerder vervuld dan dat de gemeenteraad een besluit heeft genomen, ook al heeft het college van B&W al een "besluit" kenbaar gemaakt. Men meent dan een complete overeenkomst te hebben, doch niets is minder waar, hetgeen weer tot juridische problemen leidt tussen contractspartijen. 

Gezien een recent arrest van de Hoge Raad kan men zelfs tot de conclusie komen dat, indien geen besluitvormingsvereiste als opschortende voorwaarde in de overeenkomst is opgenomen, men qua totstandkoming van de overeenkomst toch gebonden is aan de besluitvorming van het bevoegde orgaan, indien dit berust op een wettelijk bevoegdheidsvereiste. 

Wil men dan ook de waarde van een overeenkomst zekeren, laat deze dan toetsen door een van onze advocaten. Er zit meer in dan U vaak meent.

Indien U omtrent het bovenstaande vragen heeft, kunt U uiteraard contact opnemen met ons kantoor.

Mr Johan Vissers
Advocaat